over de BBV
Over de afdeling Oost
over de buckfastbijen
over het BBV koninginnen Keurmerk
over de buckfast stambomen
foto's over de buckfastbijen en imkers
downloads
links met buckfast informatie
Meer literatuur over de Buckfastbijen
contactinformatie
Wordt lid van de BBV
Teken ons gastenboek!

 

Stambomen: De kunst om stambomen van bijenkoninginnen te maken en te lezen. 

Onderstaand artikel is een vertaling van hoofdstuk uit het boek “Werkboek Koninginnenteelt” van de hand van Ulf Gröhn. Hij is in Zweden de motor achter de teelt van de Buckfastbij. De eerste import van Buckfast Abbey bracht hijzelf mee naar Zweden in 1975. Het kwam naar Zweden in de vorm van een eistuk. In 1976 volgde de opstelling van de hieruit gekweekte en geselecteerde koninginnen op het bevruchtingsstation Aspö. Na 1975 heeft Ulf Gröhn bijna jaarlijks een reis naar Buckfast Abbey gemaakt en heeft van de Abdij zeer veel Buckfast materiaal meegekregen om te gebruiken in Zweden. 

Ulf Gröhn getroost zich grote moeite om via doelgerichte selectie en geplande bevruchtingen in Zweden het beste Buckfast materiaal bij elkaar te brengen. In Zweden wordt hij wel “De Broeder Adam van Zweden” genoemd. 

In dit stukje wordt uitgelegd hoe, op dit moment, in Buckfastkringen, een stamboom wordt samengesteld. Hoe koninginnen benoemd kunnen worden en hoe zo’n stamboom gelezen moet worden. 

  1. Afgezien van zuiver uiterlijke kenmerken openbaren de erfelijke eigenschappen van een koningin zich pas in het volk dat zij opbouwt. Wanneer we met bijen telen doen we een keuze uit de volken. De erfelijke eigenschappen van de koningin, als ze als teeltkoningin wordt gebruikt, kunnen we tot op zekere hoogte aflezen uit het volk waarvan zij de enige moeder is. Om haar mogelijkheden te beoordelen, haar erfelijke eigenschappen enigszins onveranderd door te geven aan de volgende generatie, moeten we kennis hebben van de direkt aan haar voorafgaande generaties, maar ook van zoveel mogelijk zusters van de koningin en dan het liefst zusters van dezelfde paring 
  2. De erfelijke eigenschappen van de koningin, als ze als darren leverancier wordt gebruikt, d.w.z. als darren leverancier op een bevruchtingsstation of bij inseminatie, kan slechts gedeeltelijk worden afgelezen uit haar eigen volk. De bevruchting van de koningin heeft in het geheel geen invloed op de darren die deze bevruchte koningin voortbrengt. In plaats daarvan moet naar de voorgaande generatie gekeken worden om een enigszins zekere beoordeling te kunnen geven.

    Binnen de Buckfastteelt worden eenvoudige stambomen gebruikt als hulpmiddel bij het teeltplan. Deze stambomen hebben hetzelfde patroon als het fokken van andere diersoorten, maar met dit verschil dat we de vrouwelijke lijn boven zetten en de mannelijke lijn beneden. Zoveel respect zijn we de koningin verschuldigd. Bij de bijen zijn het de vrouwen die de dienst uitmaken.

Bovenaan zetten we dus de erfelijke eigenschappen van de koningin, d.w.z. het genetische plaatje dat zich zowel in de lichaamscellen van de huidige koningin bevindt als in haar onbevruchte eitjes + hetgeen zich in haar zaadblaasje bevindt.

 Let op! Ze laat een heel ander erfelijkheidsbeeld achter in haar werkster- en koninginnenlarven dan in haar darrenlarven.

Een Buckfast koningin met stamboom 

Actuele koningin:
- Erfelijke eigenschappen van moederskant (gepaarde moer = moeder en vader van de huidige moer)
- Hetgeen zich bevindt in haar zaadblaasje. Erfelijke eigenschappen van de vader = paring

Daaronder voeren we haar paring in, d.w.z. hetgeen zich in haar zaadblaasje bevindt = het sperma van een aantal darren welke, in geval van een paring op een Buckfaststation, van een aantal zuster koninginnen komen. De enige verzamelnaam die we voor hen kunnen gebruiken is de identiteit van de koningin die de moeder is van deze hele groep zusters (= de grootmoeder van de darren). In het volk van de huidige koningin zijn deze erfelijke eigenschappen verenigd met de erfelijke eigenschappen van moederskant. Zoals alle bijentelers weten dragen haar darren echter slechts de erfelijke eigenschappen van moederskant. 

Tegelijkertijd moet duidelijk zijn dat deze stambomen niet direct vergelijkbaar zijn met degene die worden gebruikt door mensen die zich bezig houden met het fokken van honden of paarden en ook niet met de geslachtsregisters die we over onze eigen trotse afstamming opstellen. In deze drie gevallen kan datgene wat wij de erfelijke eigenschappen van vaderskant noemen, herleid worden tot een bepaald individu. In onze stambomen (we zouden eigenlijk van geslachtsregisters moeten spreken) zijn de erfelijke eigenschappen van vaderskant een benadering, een schatting die zo dicht mogelijk bij de waarheid ligt. Ten eerste kunnen we geen individu aanwijzen waarvan de erfelijke eigenschappen van vaders kant komen, maar slechts een groep waarbinnen de vader kan worden gezocht. We hebben binnen de Buckfastteelt geprobeerd deze groep zo homogeen mogelijk te maken en er een verzamelnaam aan te geven. Die verzamelnaam is de moeder van de darrenproducenten. 

Let op! Wat wij de erfelijke eigenschappen van vaders kant noemen is het sperma mengsel (van een aantal nauw verwante darren) dat de moer in haar zaadblaasje heeft. Er zou misschien bevruchting moeten staan in plaats van erfelijke eigenschappen van vaderskant. Maar het maakt de erfelijke eigenschappen uit in het bestaande volk van de huidige koningin. 

Wat wij de erfelijke eigenschappen van moederskant nomen (in de stambomen) is de gepaarde moer (d.w.z. eigenlijk zowel vader als moeder). Degene die de stambomen op de gebruikelijke manier lezen “De moeder van de koningin boven en de vader van de koningin beneden” zitten op het verkeerde spoor. Daarentegen kan er wel, indien nodig, zinvol gesproken worden over de erfelijke eigenschappen van moederskant van een volk boven en de erfelijke eigenschappen van vaderskant beneden.

Er moet misschien op worden gewezen dat elke koningin bevrucht wordt door meerdere darren, maar dat de koningin zelf slechts één vader heeft. Hetzelfde geldt natuurlijk voor haar dochters.

Laten we dus eerst eens zien hoe een stamboom wordt opgebouwd:

Ik heb een koningin in kast 15 en ze is geboren in 1984, meer weten we niet van haar. Om haar te onderscheiden van andere koninginnen die er zijn geweest of zullen komen in kast 15 noemen we haar 8415. Een dochter van haar wordt in 1986 op Aspö bevrucht. We schrijven dat op in een stamboom: De vrouwelijke lijn boven en de mannelijke beneden. Daar kunnen we natuurlijk Aspö schrijven, maar aangezien we weten hoe de mannelijke lijn op Aspö in 1986 heet, zetten we dat er neer, nl. B379. De nieuwe koningin belandt bij mij in kast 11, ze is geboren in 1986 en wordt dus 8611 (zie figuur 1) 

 

Figuur 1

In 1987 komt een dochter van 8611 op Aspö terecht. Nu heeft men daar de mannelijke lijn gewisseld, deze lijn heet nu B121. De dochter van 8611 komt bij mij in kast 5, ze wordt dus 8705 (zie fig. 2) 

Figuur 2

Ik ga door met het paren op het station en in de volgende figuren kunnen we zien wat er gebeurt. Let erop dat we de vaderlijke lijn allen ingevuld hebben met het getal dat het station aangeeft, maar dat dit gemakkelijk kan worden aangevuld, zoals we verderop zullen zien. 

Zo breng ik in 1989 een dochter van 8705 naar Hasslö. De mannelijke lijn heet daar EK8602. De moer raakt gelukkig aan de leg en thuis belandt ze in kast 7. Ze wordt dus 8907 genoemd (fig. 3) 

Op dezelfde manier als de erfelijke eigenschappen gedocumenteerd zijn in fig. 3, documenteerde Broeder Adam zijn teeltkoninginnen. Hij schreef het echter anders nl.:

 

Figuur 3

In Denemarken en Duitsland heeft men ervoor gekozen de manier van Broeder Adam, om in details te schrijven te volgen. Dit houdt in dat de koninginnen de initialen van de teler krijgen, gevolgd door een getal van drie cijfers. He geboortejaar wordt apart genoteerd. We nemen de documentatie van UG8907 op deze manier over: 

Figuur 4

Nu hebben we de afstamming van 8907 tot drie generaties terug vastgelegd. Maar er ontbreekt iets. We hebben slechts een naam van de mannelijke lijn, maar we weten niets van wat daar achter zit. Wat er als mannelijke lijn staat is de naam van het volk/koningin, die de moeder is van de darrenproducenten op het (eiland0bevruchtingsstation. Het zijn namelijk haar erfelijke eigenschappen die de koninginnen op het bevruchtingsstation door geven via hun darren. Als we deze manier niet gebruiken, dan kan de vaderlijke lijn niet eenvoudig worden uitgelegd. Om de achtergronden van de mannelijke lijn te vinden moet we ze opzoeken in de stambomen waarover we beschikken. Als we die raadplegen, ontdekken we dat we de stamboom van 8907 kunnen aanvullen volgens fig. 4.

 De manier waarop de stamboom van EK 8602 wordt uiteengezet kan een kritische beschouwing niet doorstaan. Er zijn bewijsbaar veel nakomelingen van B427 geweest met in theorie75% erfelijke eigenschappen van de oorspronkelijke moeder. Waar zijn de resterende 25% en welke van de 75%-ers zijn het? Elke koningin moet haar eigen aanduiding hebben en de ingevoerde eigenschappen moeten worden gezien in haar stamboom. Het is ook erg belangrijk dat de benaming die de koningin eens heeft gekregen haar haar leven lang volgt. Als ik in 1990 koningin 8907 aan een collega verkoop en hij zet haar in zijn kast nr. 3, mag hij haar niet omdopen tot 9003. Bovendien moet hij mijn initialen toevoegen aan haar naam, dus UG8907. Er zijn namelijk in 1989 veel koninginnen geboren die in een kast met het nummer 7 kunnen zijn beland, maar slechts 1 op mijn bijenstand. Men kan dus alleen thuis genoegen nemen met de kale cijfers. Alle koninginnen die gekocht of geruild worden moeten de initialen van de teler in hun naam krijgen. 

Dan is er nog iets. We hoeven eigenlijk geen uitgewerkte stambomen te hebben van al onze koninginnen. Het is voldoende, zolang ze dienst doen in een productievolk, dat de moeder en de bevruchting worden aangetekend. Wanneer het eventueel actueel wordt om een volledige stamboom te maken, d.w.z. wanneer de koningin in gebruik wordt genomen voor de teelt, is het gemakkelijk om die op te stellen. Ik veronderstel dan dat de moeder een raszuivere koningin was met stamboom 

Let erop, dat werksters en eventuele jonge koninginnen in 8907 voor de helft hun erfelijke eigenschappen hebben van 8705 en voor de andere helft van EK8602. Dit klopt echter niet voor elk afzonderlijk geval. Elke keer als er een eitje wordt gevormd, vindt er reductiedeling plaats, zodat het aantal chromosomen vermindert van 32 naar 16. Hierbij vinden verschuivingen plaats in de hoeveelheden erfelijke eigenschappen van beide ouders. Je kunt er zodoende niet van uitgaan dat bijv. 121 voor 25% wordt ingevoerd in 8907. Als percentage gewijs de erfelijke eigenschappen worden geteld, dan moeten we spreken van grote groepen zusters, bijvoorbeeld alle werksters in een volk. Koninginnen beschouwen we als individuen en ze hebben zelden meer zusters dan ongeveer 30. Voor zo’n grote groep kunnen de percentages tot op zekere hoogt gelden als een gemiddelde, maar absoluut niet voor de afzonderlijke individuen, die we apart nemen als teeltkoninginnen. 

Dezelfde redenering geldt voor de darren. In het geval van 8907, Hebben ze al hun erfelijke eigenschappen van 8705 =100%. Maar ook de darren komen uit eitjes die een reductiedeling hebben ondergaan. De darren van 8907 hebben gemiddeld 50% erfelijke eigenschappen van 8611 en 50% van 121. Als je een afzonderlijke dar neemt, kunnen de verhoudingen de ene of de andere kant uit zijn geschoven. Ze geven echter in geen geval erfelijke eigenschappen van EK8602. De eitjes waaruit ze kwamen waren immers niet bevrucht. 

Bij de mens, evenals bij de meeste diersoorten, heeft een reductiedeling plaats wanneer de zaadcellen worden gevormd. Dat is echter niet het geval bij darren. Aangezien darren-eitjes nooit bevrucht zijn, hebben ze maar 16 chromosomen. Zou er nu een reductiedeling hebben plaats gevonden bij de vorming van de zaadcellen, dan zou dit er toe leiden dat de zaadcellen van de dar slechts 8 chromosomen zouden krijgen. Een eitje dat bevrucht zou worden door zo’n zaadcel, zou een individu opleveren met 24 chromosomen en het aantal chromosomen zou met elke generatie afnemen. Dit kan de natuur niet gebruiken! 

Het gevolg hiervan is dat alle zaadcellen bij één en dezelfde dar precies dezelfde erfelijke eigenschappen opleveren. Geen enkel eitje is volledig gelijk aan een ander, maar de zaadcellen van een dar zijn alle exacte kopieën van elkaar. 

Als we hierover nadenken, hebben we zeker het recht om de darrenlijn op een station met de naam van de grootmoeder van de darren aan te duiden. Zes zusters geven elk misschien 2000 darren. De betekent dat ongeveer 12000 verschillende varianten worden aangetroffen op het station. In een zaadlozing van een zoogdier kunnen meer dan 100 miljoen verschillende varianten van de erfelijke lijn voorkomen. Misschien zijn het juist deze aantallen die er voor zorgen dat selectie snel tot resultaten leidt binnen de bijenteelt. 

Vindt nu niet dat deze redenering lastig en overbodig is, lees het maar rustig nog eens door. Wat deze gedachte ons kan leren, is namelijk dat de teelt niet slechts mag bestaan uit het lezen van stambomen. Als je een bepaald type bij wilt behouden, moet je naar beste vermogen uit elke generatie een keuze doen en precies datgene kiezen wat voor die stam of erfelijke lijn typisch is, zowel in uiterlijk als gedrag. Het alleen maar berekenen van percentages is niet genoeg. 

Maar om een juiste keuze te doen is het een vereiste dat je werkelijk het materiaal waarmee je werkt, hebt leren kennen. Oefen je opmerkzaamheid wanneer je naar je bijen gaat. Let er niet alleen op of ze steken en of je honing van ze krijgt. Noteer alle eigenaardigheden en details. Alles wat je ziet zal je kunnen helpen een goede keuze te maken en het kan gebeuren dat je niet inzet op een koningin die de hoogste opbrengst heeft gegeven. Iets in haar volk doet je misschien vermoeden, dat je niet de meest stabiele erfelijke lijn hebt. 

Leer om een eenvoudige stamboon te lezen en te maken en ga dagelijks met je bijen om. Dan zal je ook een steeds betere teeltkeuze doen. Honing is zeker leuk, maar het telen van goede bijen die honing geven is in wezen nog leuker.